http://kris.blogeiland.nl

Top sites
- Gratis website
- Speur plaza
- Auto spot
- Gratis weblog
- Nieuwe ringtones
- Webcam chat
- Gratis dating
- Plaatjes kleurplaten
- Verhuur je koophuis

Logs van
--- Archief ---

Links
Blogeiland

Poll



Blogeiland-blogs
SuuzSuuz.blogeiland.nl
LookAtMeNow.blogeiland.nl
lady.blogeiland.nl
ronbartels.blogeiland.nl
asiancooking.blogeiland.nl
zuiderzee.blogeiland.nl
Tumie.blogeiland.nl
Letjuh.blogeiland.nl
Mayo.blogeiland.nl
heima.blogeiland.nl
html / Webdesign vragen?
Je eigen weblog?

10-07-2007 - Het gaat niet door!

Het aantal reacties op mijn aanbod i.v.m. een reeks verhaaltjes uit de Griekse mythologie is nog steeds nul. Als er nu nog één was geweest... maar núl! Het gaat dus niet door. Vanzelfsprekend...



Gepost door: krisvansteenbrugge op 10-07-2007 om 23:23
Klik hier om de 1 reactie(s) te bekijken.
20-06-2007 - Nog geen reacties.

 


Misschien is het nog wat te vroeg, maar als het aantal reacties nihil blijft, of zo goed als nihil, zal ik geen inspanning doen om de verhaaltjes te schrijven: 't moet toch een beetje de moeite lonen, nietwaar?



Gepost door: krisvansteenbrugge op 20-06-2007 om 23:52
19-06-2007 - Griekse mythologie.


Vanaf 1 juli zou ik hier 2 x per week een verhaaltje willen publiceren uit de Griekse mythologie. Als jullie het een goed idee vinden natuurlijk...



Gepost door: krisvansteenbrugge op 19-06-2007 om 03:06
02-12-2006 - Filosofie over leven en dood.

Hoe vaak komt het niet voor, beste trouwe lezer, dat wij iemand beloven, bij het afscheid nemen: “ik bel nog wel eens op� of “ik zal je nog schrijven� of “ik stuur je nog wel een mailtje� of “ik spring nog wel eens binnen, een dezer dagen� of… “daar schrijf ik nog wel es een boek over�? En, geven wij daar dan gevolg aan? Komen wij onze belofte na? Vaak niet! Omdat we onze belofte vergeten of omdat we verkiezen alles blauwblauw te laten of simpelweg omdat onze “belofte� in feite slechts als een soort afscheidsformule bedoeld was? Dan hebben we met professor van Togenbirger de Waelekens heel ander vlees in de kuip. Hoelang is het geleden dat ik de professor een bezoek bracht? Luttele weken. Herinnert u zich dat hij mij bij ons afscheid beloofde een boek te schrijven over “het leven en de dood�? Welnu, deze morgen heb ik in mijn mailbox verscheidene bladzijden tekst gevonden: hoofdstuk 5 en 6 van het boek. Ik ben zo vrij u maar meteen de laatste paragraaf van hoofdstuk 6 in de maag te splitsen:

Misschien kunnen we wat vooraf ging als volgt hernemen en samenvatten: het bestaan is ons gegeven, en het is van die aard dat we het niet zomaar kunnen weigeren, terwijl het tegelijk duidelijk ‘het onze’ niet is. We krijgen het, en we nemen er bezit van terwijl we dat op de keper beschouwd niet volledig kunnen en misschien ook niet eens mogen doen – wie zal het zeggen – en zodoende gaan wij ons tot ons eigen zijn verhouden zoals iemand die iets in bruikleen gekregen heeft, het graag wil houden, en dan zegt: “Laat mij bezitten wat ge mij gegeven hebt, ik zal het u betalen!� Wij beladen onszelf met een schuld ingevolge het in bezit nemen van iets dat op de keper beschouwd niet het onze is. We kunnen zodoende niet anders ‘zijn’ dan ‘schuldig zijn’. Wij gedragen ons eigenlijk zoals iemand die geheel onverdiend iets kreeg, doch die niet in staat is om onverdiend iets te ontvangen, omdat hem het vermogen tot dankbaarheid ontbreekt dat voor het schuldenvrije ontvangen een mogelijkheidsvoorwaarde is. Want wie durft te beweren dat wij het gekregene dienen te vergoeden of te verdienen? Hoe immers kon men ooit een geschenk vergoeden als dat geschenk het eigen ‘zijn’ is? Hoe anders kon men dat vergoeden dan door het terug te geven? Edoch, kan dat de bedoeling geweest zijn van de schenker? Indien wij ons hier dus ‘vergissen’ – maar het gaat hier veeleer om een ‘onwil’ dan om een ‘fout’ – dan is het ook duidelijk, andermaal, dat een onvermogen tot dank-baarheid aan de grond van deze ‘vergissing’ moet liggen. En misschien is ons bestaan niets anders dan een worsteling om met ‘het geschenk’ in het reine te komen. Alleen… waarom is er dan nog de dood! En is de veronderstelling van een eeuwig leven niet de voorwaarde om deze al te voortvarende gedachtengang alsnog te doen kloppen? Maar nu dienen we ons te herinneren en goed te realiseren dat ons bestaan een geschenk-karakter heeft, en dat wij in feite (nog) niet in staat blijken om dit geschenk te begrijpen. En stel nu eens dat we wél in staat waren om het geschenk van ons leven te beamen; stel eens dat we in staat waren om ons leven als een geschenk zonder meer in dank-baarheid te aanvaarden. Welnu, wat zou ons dan nog beletten om te geloven dat wij dat geschenk een tweede keer kunnen krijgen? Want het bestaan van een ‘leven na de dood’, waarover profeten, kwakzalvers, filosofen, theologen, of eender wie de mond vol hebben – zo’n ‘leven na de dood’ ware, als het geoorloofd is om het zo uit te drukken, op de keper beschouwd in geen enkel opzicht wonderbaarlijker dan het bestaan dat aan de dood voorafgaat.

Hebt u het helemaal kunnen volgen? Zo niet, het moge u een troost wezen dat deze uiteenzetting ook voor mij allesbehalve “klaar als pompwater� is. Maar na drie lezingen heb ik het gevoel dat er toch ergens héél in de verte een klein beetje licht begint te dagen. En bij u gaat het er ongetwijfeld veel gemakkelijker in. Ik heb per slot van rekening “de leeftijd� en u waarschijnlijk nog niet – de overgrote meerderheid van mijn lezers bestaat uit mensen voor wie de pensioenleeftijd nog ver af is – . Misschien hebt u wel filosofie gestudeerd en dat is natuurlijk een enorm pluspunt. Dan zit u mogelijkerwijze al na de eerste lezing op de golflengte van van Togenbirger zelf. Zou u geloven dat ik er nu, na negenenveertig (!) jaar, spijt van begin te krijgen dat ik de lessen in de filosofie ofte wijsbegeerte niet au sérieux genomen heb? Voor de zeldzamen onder u, die mijn boek “O jerum jerum jerum…� niet gelezen hebben, laat ik hier een passage volgen (pagina 58) waaruit blijkt hoe weinig ik toen met dat vak begaan was…

…De vakken scheikunde en natuurkunde waren erg theoretisch en minder geliefd. Velen zagen er het nut niet zo goed van in. En van het vak “logica en wijsbegeerte� zag welhaast níemand het nut in. Hier werd dan ook op grote schaal gebrost. Leemans heette de professor die met die leeropdracht belast was. Als er een dozijn studenten in zijn les aanwezig waren, mocht hij al tevreden zijn, de eerste paar lessen van het jaar niet te na gesproken. Toch streefden zelfs de grootste brossers ernaar minstens één les logica bij te wonen, al was het maar om de prof te leren kennen. Maar zelfs dáárin was ik tot mijn spijt niet geslaagd, zodat ik professor Leemans pas leerde kennen op 't examen. Het was een aardige vrij bejaarde man, klein van stuk en met een halfvolle grijzende baard. Ik kende min of meer de antwoorden op de vragen die hij meestal stelde en waarvan de lijsten circuleerden onder de studenten. Ik voelde me dus toch nog vrij goed op mijn gemak. De professor begroette mij erg voorkomend, vroeg mijn naam en waar ik woonde. Elsegem, zei ik. Hij had Olsene verstaan en hij vroeg me of ik de burgemeester van Olsene goed kende. Dat was namelijk een jeugdvriend van hem, die hij nog regelmatig ontmoette. Ik zei dat ik in Elsegem woonde en niet in Olsene, dat Olsene nu wel niet zo ver van Elsegem verwijderd lag, maar dat ik toch de burgemeester van Olsene niet kende. Het hinderde niet. Hij praatte verder over zijn vriend, de burgemeester, en er kwam ook nog een of andere grappige anekdote aan te pas. Toen hij uitverteld was nam hij zijn puntenboekje en schreef daarin, naast mijn naam, 14 op 20.
- Ik heb je toch de vraag over de deductieve redenering gesteld, nietwaar?
Ik maakte een lichte beweging met het hoofd, die als een bevestiging kon geïnterpreteerd worden.
- Die vraag heb je heel behoorlijk beantwoord, zie hij nog. Hij reikte mij de hand, groette mij hoofs en ik mocht gaan, meer dan één ervaring rijker.
Ik had een dubbele uitzonderlijke prestatie geleverd: ik was naar 't examen gegaan zonder de prof te kennen én ik had goede punten gekregen zonder ook maar één vraag te moeten beantwoorden. Later ben ik er achter gekomen dat de student vóór mij de vraag over de deductieve redenering had beantwoord en daar eveneens 14 op 20 voor had gekregen…

Maar, zoals ik al liet doorschemeren, mijn geboortedatum zal in deze ook wel een niet te onderschatten rol spelen. Tegenwoordig moet ik bijna alles ten minste twee keer lezen voor het goed en wel tot mij doordringt. Voelt u waar ik heen wil? Ik wil het gaarne met u nog eens hebben over “geheugen� en “begrijpen� en hoe dat met de jaren achteruitgaat. Maar ’t zal voor een volgende keer zijn, want ik heb vandaag nog zoveel te doen. Een gepensioneerde heeft altíjd veel te doen en daar is over ‘t algemeen maar één echte serieuze reden voor: hij schiet niet op!
Dát over het geheugen hebt u dus van mij nog te goed. En dat is nu eens niet als afscheidsformule bedoeld, ik zal het niet blauwblauw laten. Ik durf zelfs méér zeggen: ik zal het niet vergeten!


Gepost door: krisvansteenbrugge op 02-12-2006 om 16:43
25-11-2006 - Theo Thijssen.

Misschien had ik het nooit wereldkundig durven maken uit schrik om uitgelachen te worden als hopeloos ouderwets, maar nu Rick de Leeuw onlangs gezegd en geschreven heeft dat het mooiste boek dat hij ooit heeft gelezen “Kees de Jongen� is van Theo Thijssen, durf ik u bekennen dat Theo Thijssen mijn geliefkoosde Nederlandse schrijver is.
Theo Thijssen werd geboren in Amsterdam in 1879. Van 1898 tot 1921 was hij onderwijzer in een Amsterdamse volksschool. Hoewel hij later in de politiek is gegaan, is hij diep in zijn hart steeds onderwijzer gebleven. Van 1923 tot 1932 heeft hij zijn ervaringen neergeschreven in achtereenvolgens: Kees de Jongen, Schoolland, De gelukkige Klas, Het grijze Kind, Het taaie Ongerief. Thijssen was een rasschrijver. Een groothartig mens die oneindig veel hield van zijn kinderen. Hij stierf in 1943.
Heb ik mijn trouwe lezers reeds verteld dat ik, als gepensioneerde, nog werkzaam ben in een revalidatiecentrum voor – onder andere – kinderen met leermoeilijkheden? Welnu, dan weet u het bij deze. Om een centje bij te verdienen bij mijn karig pensioen, maar ook – en dat is zeker niet de minste reden – omdat ik het graag doe. Heb ik mij daar van de week toch een moeder gehad die doodongelukkig was omdat men haar voorspeld had dat haar kind het jaar zou moeten overdoen. Ze zóu het niet laten gebeuren! Liever liet ze het kind voortploeteren in een klas waar het voortdurend moet afhaken dan de schande van het zittenblijven te moeten dragen. Ik dacht aan Jantje die, thuiskomend met een slecht rapport, tegen zijn vader zegt “als we maar gezond zijn, hé pa!� en aan Koba Hellendoorn uit de klas van meester Staal, alias Theo Thijssen. Ik zei: “maar ze is toch gezond en dat is toch het allerbelangrijkste�. “Pf!� zei de moeder en ze keek mij nogal misprijzend aan. Het leek er erg op dat ze haar gezond kind op staande voet had willen omrui-len voor één dat ziekelijk was en goed kon leren.
Deze morgen heb ik gezocht in het boek “Schoolland� van Theo Thijssen, waarin de passage over Koba Hellendoorn voorkomt. Onderwijzer Staal, heeft vernomen van een meisje uit zijn klas dat Koba Hellendoorn, een ander meisje uit de klas, ernstig ziek is. Koba is al een paar dagen afwezig en de meester gaat haar thuis een bezoek brengen. Het kind blijkt reeds fel aan de beterhand te zijn, maar haar leven heeft aan een zijden draadje gehangen, volgens moeder Hellendoorn. Wat meester Staal vooral treft is de overdreven bezorgdheid van de moeder over de mogelijke schoolse achterstand die Koba door die enkele dagen afwezigheid zou kunnen opgedaan hebben. Hij besluit dat hoofdstukje als volgt:

Wat hebben wij schoolmeesters de mensen toch dwaas weten te krijgen met onze gewichtigheid. Hoe hebben wij, wij allen, van de bewaarschooljuffrouw af tot de professor toe, de mensheid een verwrongen kijk op de waarden in het leven weten te bezorgen. Met onze examens en onze diploma’s en onze getuigschriften, en onze rapporten, met onze waarderingscijfers van 6 1/2 “plus� of 7 “min�.
Maar waar blijven de wijze grijsaards die toch wel geleerd hebben te lachen om de suggestie der school? Waarom laten zij, die ons toch wel doorzien, waarom laten zij niet een glimpje van de eeuwigheid lichten over de belachelijke ernst, waarmee wij het vingerhoedje kennis-en-weten, waar wij voor zorgen, willen gerespekteerd zien als een scheepslading nuttige wijsheid? Ze laten ons maar heersen.
Zo’n moeder Hellendoorn, in plaats van onbekommerd te juichen om het grote feit, dat ze Koba nog heeft, zit in angst, dat ik over ’n half jaar zal komen met het verschrikkelijke vonnis, dat Koba nog niet goed een of andere malle taaloefening kan invullen…
Mijn vrouw heeft bij de wieg van ons dochtertje al van die vage zorgen, dat het later op school wel eens niet helemaal vlot kan gaan, en poogt zichzelf gerust te stellen, dat ik, de vader, zelf gelukkig schoolmeester ben, en alzo als redder kan optreden…
Mijn buurman heeft een prachtjongen op de H.B.S. Toen de jongen verleden jaar is blijven zitten, heeft in dat gezin dagen lang een Godslasterlijke droefenis geheerst, een begrafenisstemming, alsof er iets wezenlijks was gebeurd.
Hoe hèbben we, hoe hèbben we onze arme medemensen zo dwaas kunnen krijgen, en hoe houden we die dwaasheid er zo in?

Een van mijn Nederlandse vrienden zei onlangs: “Wat ouderwets, die taal van Theo Thijssen, het lijkt wel Vlaams�. Precies. En dat is een van de redenen waarom ik des te meer hou van de schrijver van Kees de Jongen, het mooiste boek dat ooit door een Nederlander werd geschreven…



Gepost door: krisvansteenbrugge op 25-11-2006 om 04:03
18-11-2006 - Met Mico naar de 57e Gravensteenfeesten.

Woensdag zijn we dus naar de Gravensteenfeesten getogen – de zevenenvijftigste –, Mico en ik. Met de trein van 10.43 vertrokken in het station van Kortrijk. Mico’s vrouwtje Bea had ons naar het station gebracht. Zo’n intercity-trein doet amper twintig minuutjes over het traject Kortrijk-Gent. Van Gent-Sint-Pieters tot “De Salamander� in de Overpoortstraat is een klein kwartiertje, als je goed doorstapt. Maar we stápten niet goed door. ’t Was eerder slenteren wat we deden, doorheen het Citadelpark. Langsheen het monumentale standbeeld van burgemeester Charles de Kerckhove. Dat standbeeld staat daar ongetwijfeld al meer dan een eeuw en we moeten daar in onze studententijd honderden keren voorbij gekomen zijn en toch realiseerden wij ons niet het ooit eerder te hebben gezien. Wat moeten wij in die tijd een haast gehad hebben…
We waren ruim op tijd in De Salamander. De verwelkoming door de leden van het dagelijks bestuur van het Seniorenkonvent was bijzonder hartelijk. De nieuwe senior seniorum – Vincent Verlaeckt is zijn naam – maakte een bijzonder keurige indruk. Netjes uitgedost in een nagelnieuw donkergrijs maatpak met daaronder een wit hemd en een schitterende goed geknoopte das. Een beleefde jongen met ravenzwart haar, een knap gebronzeerd aangezicht met mooie hagelwitte tanden en daarenboven een elegante lichaamsbouw. Men zou gezegd hebben: een jongen, te mooi en te keurig om senior seniorum te zijn. Toen zagen we hier en daar nog van die jongens opduiken in datzelfde keurig donkergrijs pak met rode das. Waar hadden we dat nog gezien? Maar natuurlijk: het pak van Jean-Marie Pfaff, de beroemde maar eenvoudig gebleven zoon van het Waasland, op wie deze jongens terecht fier zijn. Het waren namelijk de mannen van de W.C. ofte de Waasse Club, en de nieuwe senior seniorum was één van hen. De senior seniorum van ’t vorig jaar, de gulhartige Jan-Bart Demuelenare was er ook al en Valeer Van Overwalle één van de pioniers van 1949, die er de laatste jaren ook regelmatig is bij geweest, samen met zijn bevallige echtgenote. En was mij daar warempel niet nóg een pionier opgedoken? Ene Phil! Onverwoestbare dappere helden van toen…
Daar zijn er nog twee van de oude garde: Jacky en Lucien. Al de anderen zijn jonge kerels en jonge deernen. Sommigen ken ik van ziens omdat ik ze vorig jaar al ontmoet heb, maar bij naam ken ik ze geen van allen. We begeven ons te voet naar het restaurant waar ons een voedzame maaltijd wacht en daarna, weer te voet, naar het Gravensteen. Helemaal anders dan in 1949 hebben ze de grote poort wagenwijd opengezet en we trekken “zo zonder slag of stoot� de indrukwekkende burcht binnen, die maar één keer in zijn geschiedenis het fiere hoofd heeft moeten buigen: in 1949, voor de Gentse studenten! De clubs zijn te herkennen aan hun linten, hun vlaggen en vaak aan hun speciale outfit. Ik vermeldde al de Pfaff-kostuums van de Waasse Club. Ook de AB-ers in hun piraten-kledij komen heel fris voor de dag – wat zijn er op ’t ogenblik veel knappe porren bij den AB, zeg! – evenals de leden van Moeder Malheur die uitgedost als Schotten ophef maken door als ’t maar even pas geeft te bewijzen dat ze onder die Schotse rokjes níets aan hebben. En dan is er natuurlijk ook de fanfare die met een stuk of twaalf zijn en zoals telkenjare de ziel uit hun jonge lijven spelen en het hele gamma studentenliederen ten beste geven zonder ook maar één valse noot te laten horen. Wat mij een beetje tegenvalt is dat mijn eigen club, Moeder Laetitia, wat minder opvallend aanwezig is dan andere jaren…
In de indrukwekkende troonzaal van het Gravensteen staat een podium opgesteld voor de sprekers. Eerst is pionier Valeer aan ’t woord. Zijn stem is niet meer zo krachtig als in zijn jonge jaren en mijn gehoor is er in al die jaren ook niet op vooruit gegaan en dat brengt met zich mee dat ik van zijn verhaal niet al te veel begrepen heb. Gelukkig staat de tekst integraal in het programmaboekje. Phil daarentegen, die andere pionier, spreekt het studentenheir toe met luide krachtige stem. Aan ’t end breekt het zweet hem echter uit. Phil heeft verse lucht nodig; misschien heeft hij zijn krachten wel wat overschat. Of is het de ontroering die Phil parten speelt? Dan kom ík aan de beurt als oudste senior seniorum. Ik ben al járen de oudste senior. En toch, waar zijn mijn voorgangers: Carlos Danneels, Paul Heytens, Raoul Beerens, Jos Metsers, Guido Vyncke? Er moeten er nóg zijn. Ik leid de salamander in – ’t zou ongepast zijn hier niet even te vermelden dat het bier geschonken wordt door de Rodenbach –. Toch hartverwarmend, na bijna een halve eeuw nog zo’n uitgelezen bende studenten te kunnen begeesteren. Mico, die na mij komt, kan dat nóg beter. Maar daar leg ik mij gaarne bij neer: is hij immers niet de grootste student “aller tijden�? De volgende in de rij is, geloof het of niet, Bart De Becker, senior seniorum 1995-96. Tussen Mico en Bart gaapt er een afgrond van achtentwintig jaar! Achtentwintig seniores seniorum die het laten afweten! En dan komen Jean, Misja en Jan-Bart aan de beurt – misschien vergeet ik er een –, allen even briljant.
Na dit plechtig gebeuren in de troonzaal wordt het Gravensteen nu wel degelijk her-bezet. Rondom, op de muren van de burcht, staan de studenten nu liederen te zingen onder begeleiding van de fanfare. Er wordt met vlaggen gezwaaid en hier en daar weerklinkt bomgeknal. En beneden staan de ouderen dit spektakel met welgevallen te bekijken en ze hebben er o zoveel deugd van. Een bejaard Nederlands echtpaar uit Oud Beijerland, dat toevallig het Gravensteen komt bezoeken, vraagt wat dit alles te betekenen heeft. Een feest, zeggen we, om te herdenken dat 58 jaar geleden het Gravensteen door studenten werd bezet. Dáár hebben ze nooit iets over gehoord. Ze bedanken ons dat we dit immens gat in hun cultuur hebben opgevuld.
En dan zet er zich een stoet in beweging, of hetgeen voor een stoet moet doorgaan. ’t Is zelfs geen flauw afkooksel van wat het vijftig jaar geleden was. Geen enkele wagen in de stoet. Iedereen te voet. Weinig toeschouwers langs de weg. Gelukkig is daar de fanfare die maar blijft doorspelen en voor de broodnodige ambiance blijft zorgen. Waarheen de stoet precies gaat is mij niet duidelijk. De mogelijkheden zijn overigens beperkt: de meeste straten liggen opgebroken. Tijdens de stoet knoop ik een gesprek aan met Emmeline. Ze is knap en intelligent en ze is van Oostende. Nee, niet van de Zandloper: die is al een jaar of vijf opgedoekt – hoe vaak heb ik die van Oostende niet horen schreeuwen dat de Zandloper nooit zou vergaan!? – Er is nu een nieuwe club in Oostende, Dionysus genaamd en daar is Emmeline lid van, bestuurslid. Ik vertel haar dat ik drie jaar lang op kostschool geweest ben in ’t Koninklijk Atheneum van Oostende en dat die drie jaar de ellendigste van mijn leven zijn geweest. Waarom? Wel, daar heb ik een verhaal over geschreven in mijn boek “O jerum jerum jerum…�. Ik zal haar het verhaal opsturen per e-mail. Ze zal straks wel haar e-mail adres voor mij opschrijven. Emmeline doet mij een beetje denken aan mijn eerste liefje dat ik zó van de stoep had opgescharreld tijdens mijn eerste Gravensteenstoet en van wie ik de naam niet meer weet, en ook een beetje aan lief Leentje in Damme. Enkele andere porren komen mij nu voor de geest met wie we de laatste jaren een beetje lol hebben gemaakt tijdens de Gravensteenfeesten: dat ander Leentje – Leentje Stockman – en Mieke die zo vakkundig mijn lint heeft gedoopt en Poedel. Ze zijn er niet meer bij. ’t Gaat allemaal voorbij, helaas…
We zitten aan de toog in ‘k weet-niet-meer-welk café in de Papegaaistraat als ik mij realiseer dat ik in de drukte Emmeline ben kwijt gespeeld. Ik ben in een druk gesprek gewikkeld over allerlei onderwerpen – vraag me niet er nog één op te noemen – met Jean de Chaffoy, Tom Vergracht en een paar psychologen die enkele jaren geleden nog bestuurslid van het Seniorenkonvent zijn geweest. Tom Vergracht is de huidige zedenmeester van het SK en hij is de zoon van, jawel, Lode Vergracht, die destijds een van “de groten� was. Waarom Lode er dit jaar niet bij is? Gezondheidsredenen, iets met de bloedvaten. Langs deze weg het allerbeste toegewenst, Lode. God geve dat we elkaar komend jaar weer mogen zien in het Gravensteen. De porren zijn dit jaar in de minderheid. Niet in díe mate als in “mijn tijd� maar toch, het valt op. In het café in de Papegaaistraat is er maar ééntje. Ze heeft de rits van haar bloesje uitdagend ver opengelaten. Eén van de psychologen vraagt of ze de rits voor hem nog een klein beetje verder wil opendoen, één centimetertje maar. Ze weigert beslist. En als hij het zelf wil doen geeft ze hem een klinkende oorvijg. Wie zal de vrouwelijke ziel ooit doorgronden?
We zijn daarna nog naar het Galgenhuisje geweest en naar de Kuip van Gent en waarschijnlijk nog één of twee andere etablissementen. Het aantal pinten dat we gedronken hadden was al lang niet meer op de vingers van twee handen te tellen. Dat verklaart waarom we aan twee jonge meisjes – te jong om al student te zijn, naar ik vermoed – die ter hoogte van het Koophandelsplein ons pad kruisten, de weg vroegen naar het Sint-Pietersplein. Alsof wij de weg naar het Sint-Pietersplein niet zouden kennen! De meisjes beweerden het antwoord op onze vraag te moeten schuldig blijven. We merkten op dat ze een fototoestel bijhadden. Of ze alstublieft een fotootje van ons wilden nemen? Ze hadden daar niet het minste bezwaar tegen en ze wilden gaarne zélf mee op de foto. Ze hebben ons beloofd de foto's per e-mail op te sturen. Wat is de wereld toch veel veranderd! Benieuwd of ze het doen...
Op het Sint-Pietersplein stond een reuzegrote tent opgesteld. We zijn daar nog gauw een bierpot van de 57e feesten gaan halen en daarmee hielden we het voor bekeken. We zijn per slot van rekening geen drie maal zeven meer…
Terug naar het station en weer door het Citadelpark. ’t Is al bijna middernacht en naar men zegt kan het gevaarlijk zijn in het Citadelpark. Daar is in ’t verleden al wel eens een en ander gebeurd. Voor verkrachters hoeven wíj alvast niet bang te zijn. En voor rovers? We hebben alvast weinig waardevols bij. Al weten die rovers dat misschien niet. Maar we zijn met zijn tweeën en dat maakt al een heel verschil. Plotseling komen we voor een water te staan waar we niet overheen kunnen. Een obstakel dat we deze morgen niet gehad hebben. Naast het water zit een verliefd koppel op een bank. In het licht van een lantaarn zien we dat het om een jonge knappe blondine gaat en een allochtoon – dat laatste had mij niet moeten opvallen, maar kom, een echt multiculturele gemeenschap zijn we toch nog niet –. We hangen de hulpeloze uit en de lieftallige blondine wijst ons een brugje aan via hetwelk wij de overkant kunnen bereiken. De allochtoon lijkt het hele gedoe niet te appreciëren en kijkt ons argwanend aan. Een glimlach kan er bij hem duidelijk niet af. Eenmaal aan de overkant zwaaien we dankbaar naar het koppeltje. En, niet te geloven, de allochtoon zwaait terug. Het meisje heeft hem ondertussen ongetwijfeld diets gemaakt dat wij onschuldige weliswaar nog flinke maar toch al bejaarde heren zijn, een beetje aangeschoten, maar voor ’t overige geheel ongevaarlijk.

En weer staat daar Charles de Kerckhove, nog even kordaat als deze morgen. We zijn dus op de goede weg naar het station. De trein staat al op ons te wachten, net of we super-vips zijn. En in Kortrijk komt mijn lieve eega mij afhalen aan het station. ‘Vreselijk’ zegt ze als we in haar auto stappen en nog niet eens gezeten zijn ‘dat ge zo naar de drank kunt stinken, dat ge die vuiligheid in uw lijf kunt krijgen’. ‘Ja, ’t is niet gemakkelijk’ zegt Mico ‘we doen het echt niet voor ons plezier’. Maar al bij al, ofschoon ze het niet laat blijken, is ze tevreden dat we het er weer eens heelhuids vanaf gebracht hebben…


Gepost door: krisvansteenbrugge op 18-11-2006 om 18:58
15-11-2006 - Vandaag: de 57e Gravensteenfeesten.

Te dezer gelegenheid weze nog even herinnerd aan het jubileumboek dat zeven jaar geleden werd uitgegeven. Voor meer illustraties: bezoek mijn weblog www.bloggen.be/kris.

1999: 50 JAAR GRAVENSTEENFEESTEN (boek)

Dit boek (156 pag.), waarvan ik mede-auteur ben, werd uitgegeven door de universiteit van Gent in 1997. Het verhaalt over de indrukwekkendste studentengrap aller tijden: de bezetting van het Gravensteen door de Gentse studenten op 16 november 1949, een gebeurtenis die nog ieder jaar feestelijk wordt herdacht door het Gents Seniorenkonvent. Een aantal seniores seniorum doen in dit boek 50 jaar studentikoziteit uit de doeken. Ikzelf was senior seniorum in 1963-1964... De omslag is versierd door een pentekening van Buth (Leo Debudt, één van onze grootste Vlaamse grafische kunstenaars). Het boek is verder geïllustreerd met talrijke foto's.



Gepost door: krisvansteenbrugge op 15-11-2006 om 06:09
Klik hier om de 1 reactie(s) te bekijken.
13-11-2006 - Inleiding van mijn boek "O jerum jerum jerum..."

De spelling waarin ik dit boek had willen schrijven, is een poging tot vereenvoudiging van de Nederlandse taal. Een experiment. Niets meer. Eén regel ligt eraan ten grondslag: IN SAMENSTELLINGEN BLIJVEN ALLE ZELFSTANDIGE NAAMWOORDEN ONVERANDERD (nl. in de nominatief enkelvoud, of meervoud indien er geen enkelvoudsvorm bestaat). Op die regel bestaat er geen enkele uitzondering.
Volgens die "nieuwe spelling" moeten we dus aarderijkkunde*zeggen en schrijven in plaats van aardrijkskunde. Aarderijkkunde* is eenvoudiger en logischer, doch het klinkt raar voor wie met de Nederlandse taal en dus met het woord aardrijkskunde vertrouwd is. Wie evenwel, bij wijze van proef, de moeite doet om dagelijks het woord aarderijkkunde* te hanteren, zal er na een paar weken ongetwijfeld geen graten meer in vinden en het woord aardrijkskunde zelfs als archaïsch ervaren. Aarderijkkunde* klinkt alleen maar vreemd omdat we niet gewend zijn het op die wijze te lezen of te schrijven.
Hetzelfde geldt voor een woord als paardkloot*. Men zal over 't algemeen vinden dat het paardekloot* (recentelijk veranderd in paardenkloot, maar toch nog als paardekloot uit te spreken) moet zijn omdat het laatste veel beter klinkt. Of niet? Laten we dat even nagaan. In vrijwel alle samenstellingen met paard zegt men paarde…, wat men schrijft als paarden…Dus: paardenkloot, uit te spreken als paardekloot. Uitzonderingen hierop zijn paardekastanje, paardebloem en paardedistel, waar men de niet uitgesproken n niet schrijft. Logisch, zo luidt het, want in die gevallen is het tweede deel van de samenstel-ling een plant of een deel van een plant, terwijl het eerste deel toch een dier is! Dat geldt natuurlijk niet voor paardevijg, waar men paarden-vijg moet schrijven, omdat men hier met vijg duidelijk niet de vrucht van de vijgenboom (uit te spreken als vijgeboom!) bedoelt.
Maar keren we terug tot onze paardkloot*. Waarom zou paardkloot* niet goed klinken als aardkloot (= aardbol) dat wel doet? En als paardekloot dan zoveel beter klinkt, dan moeten aardekloot* en aardebol* toch ook beter zijn. Zou het per slot van rekening niet beter zijn de woorden paard en aarde onveranderd te laten in hun samenstellingen en te spreken van paardkloot*, paardbloem*, paardfokker*, paardkracht*, paardras*, paardstaart*, paardstal*… en van aardekloot*, aardegas*, aardekorst*, aardekunde*, aarderijk*, aarderijkkunde*…?
Logisch dat men spreekt over een jongensklas en een meisjesklas en niet over een jongenklas* en een meisjeklas*. In zo'n klas zitten toch meerdere jongens en meerdere meisjes. Maar waarom moet het dan kleuterklas zijn en niet kleutersklas? En in een babydagverblijf zit er toch ook meer dan één baby. Waar blijft hier nu de logica? Overigens, in een jongensbroek zit toch ook maar één jongen en dat zou dan best jongenbroek* kunnen zijn, maar dat klinkt al even gek als jongenklas*, vandaar… Realiseren we ons wel dat jongenbroek* en jongenklas* alleen maar gek klinken omdat we met die vormen niet vertrouwd zijn? Laten we rustig wat oefenen met woorden als jongenfiets*, jongenclub*, jongendroom*, meisjekleren*, meisjekoor*, meisjeboek* en ook met meisjeachtig* en jongenachtig*.
Waar is de logica in gezichtsverlies en gehoorverlies? Waarom bij 't ene woord een tussen-s en bij 't andere niet? Dus: gehoorverlies, reukverlies, smaakverlies, maar ook … gezichtverlies*!
En waar is de logica bij ruggenwervel, terwijl we toch allerminst spreken over halzenwervel, borstenwervel, lendenenwervel of staartenwervel? Dus: naast halswervel, borstwervel, lendewervel en staartwervel, ook rugwervel*!

De woorden die in het boek gemerkt zijn met een * zijn woorden die ik in de "nieuwe spelling" anders had willen schrijven (alle substantieven in de nominatief enkelvoud, weet je wel), doch het niet heb gedaan. Mocht dit boek een tweede druk kennen, dan doe ik het misschien wel…

---------------reageer hier eens op, lieve lezer--------dank bij voorbaat----------------


Gepost door: krisvansteenbrugge op 13-11-2006 om 12:58
Klik hier om de 1 reactie(s) te bekijken.
12-11-2006 - Een vrouw die niet zaagt ("zeurt" voor de Nederlanders)

(dit is een van de vele verhaaltjes die u ook kunt lezen op mijn weblog www.bloggen.be/kris)


Zes miljoen Vlamingen “rijden� hun gras af. Maar niet één Nederlan-der die dat verstaat. Zij “maaien� hun gras. Terwijl wij, Vlamingen, bij het woord maaien het gevoel hebben dat er een zeis of een sikkel aan te pas komt. Tien betekenissen heeft het woord “afrijden� in het algemeen beschaafd Nederlands, volgens de dikke van Dale. Maar “het gras afrijden�? Nee hoor, daar moet je Vlaming voor zijn.
Ik was dus het gras aan ’t afrijden. ’t Was op een zonnige namiddag (“middag� voor de Nederlanders) in de herfst. Twee en een halve me-ter vóór mij dook plotseling een padde(n)stoel(1*) op. Een pracht-exemplaar. Zeker dertig centimeter hoog en met een hoed van even-eens dertig centimeter. Een witte met rode vlekken, zoals men ze al-leen in sprookjes vindt, en waarin doorgaans kabouters wonen. Hon-derden madeliefjes en half zoveel boterbloempjes had ik al wegge-maaid, maar díe padde(n)stoel was té mooi om in de vernieling te rij-den. Ik reed er in een brede halve boog omheen. En dan terug, in een halve boog. De padde(n)stoel kwam keurig op een eilandje te staan. Met de grasschaar knipte ik nauwgezet het lange gras rond de pad-de(n)stoel weg. U kan zich, beste lezer, nauwelijks voorstellen met wat een zorgvuldigheid ik te werk ging. En plots, alsof het in een fan-tastische droom was, ging er een deurtje open en uit de padde(n)stoel kwam een piepklein kaboutertje te voorschijn. Een alleraardigst man-neke, niet meer dan twee vuisten groot, met een groene pofbroek, een rode dito jas en een gele puntmuts met een flochke. Ik had nooit ge-dacht dat kabouters zo klein kunnen zijn, laat staan dat ze überhaupt bestaan...
Het mannetje stak zijn beide armpjes in de lucht.
- Dank u, honderdduizend maal dank, zei het met krassende stem. O, wat ben ik u dankbaar dat ge mijn padde(n)stoel gespaard hebt en mij voor een gewisse dood behoed.
Ik kon mijn ogen niet geloven, ik dacht warempel dat ik droomde, en het kaboutertje vervolgde:
- Gij zijt een edel en genereus mens. Groot zal uw beloning zijn. Gij moogt namelijk een wens doen. Eén. Geen drie zoals dat in sprookjes voorkomt. Uw wens zal in vervulling gaan, wat het ook moge wezen. Maar denk vooral goed na vooraleer ge uw wens formuleert, want ge moogt maar één wens doen.
Ik stond perplex. Zou u, lieve lezer, in mijn plaats niet perplex gestaan hebben? Ik kreeg er een klam gevoel van over mijn lichaam. Desal-niettemin behield ik voldoende tegenwoordigheid van geest. Eén wens, niet méér!...
Een jaar of tien geleden heb ik één dag en één nacht doorgebracht in Las Vegas. Hier wil ik ooit nog terugkeren, heb ik toen gezegd, maar dan voor een hele week. Wat belet mij om het vliegtuig te nemen en er heen te gaan? Ik ben als de dood geworden voor lange vliegreizen. Naar Las Vegas is het een uur of vijftien vliegen en zo lang stilzitten in de bekrompen ruimte van de economy class – business class kun-nen alleen zakenlui zich permitteren – kan de bloedsomloop levensge-vaarlijk verstoren, zeker bij iemand die niet meer van de jongste is. Doodgaan in een vliegtuig op enkele kilometers boven de grond, ik mag er niet aan denken. Daarenboven krijg ik in een vliegtuig door-gaans al na drie à vier uur last van een hoogst onaangenaam zinderend gevoel in de benen, een verschijnsel dat in medische taal “restless legs� wordt genoemd. Wie het ooit heeft meegemaakt weet precies waarover ik het heb. Als we nu eens met de auto naar Amerika konden rijden?...
- Ik wens, zei ik plots, vastberaden en nogal plechtig, een autostrade van hier tot in Amerika.
Het kaboutertje reageerde zichtbaar geschrokken. Zijn bolronde blo-zende wangetjes verbleekten een beetje en het flochke van zijn punt-muts kwam rechtop te staan.
- Dat is wel een héél dúre wens, kraste het ventje. Zoudt ge écht geen andere wens kunnen doen?
Jazeker, ik hád er nog één achter de hand.
- Ik zou, zei ik, een vrouw willen die nooit zaagt – “zeurt� voor de Nederlanders – .
Het kleine ventje verbleekte nu nog meer.
- Een vrouw die n.nooit z.zaagt, herhaalde hij met bevende stem.
Hij zag er plots heel slecht uit en ik vreesde al dat er iets erg te gebeu-ren stond met hem. Maar hij herpakte zich een beetje.
- A propos, vroeg hij zachtjes, om op uw eerste wens terug te komen? Hoe breed hadt ge die autostrade gewenst?
Hij trilde, zijn puntmuts was scheefgezakt en de algemene indruk die hij maakte was er een van radeloosheid. Ik vond hem zo zielig, de si-tuatie zo erbarmelijk en tegelijkertijd zo ridicuul, dat ik in een lach schoot.
Ik lag in mijn bed met wijd open ogen naar de schim van een weg-deemsterend kaboutertje te staren en onbedaarlijk te lachen…
- Wat bezielt je toch, vroeg mijn vrouw, en ze gaf mij een por in de ribben. Je houd me nu al de hele nacht wakker. Je bent deze nacht al twee keer opgestaan en je hebt gesnurkt als een varken. En nu maak je mij wakker met dat idioot gelach. Ik durf wedden dat je niet eens weet wáárom je lacht.
Dít was weer een en al realiteit.
- Ik ben opgestaan omdat ik moest plassen, zei ik. Voor een man op mijn leeftijd is dat niet eens zo bijzonder.
- Prostaat, zeker?
- Juist, prostaat. En wat het snurken betreft: doe jíj ook! En waarom ik moet lachen: ik weet het maar al te goed, ik zal het je vertellen…
- Asjeblief niet, ik wil slapen.
Met haar linker voet gleed ze langs mijn linker been.
- Je hebt je kousen nog aan, zei ze. Je moest je schamen. Niet te ver-wonderen dat jij zweetvoeten hebt. Je voeten krijgen geen lucht. En je hebt gisteren weer look gegeten, de hele kamer stinkt ernaar. Bah!
Ze draaide zich op haar rechter zijde. Twintig seconden later snurkte ze al.

(1*) Hoe ik over de schrijfwijze van dit woord denk, kunt u lezen in de inleiding van mijn laatste boek “O jerum jerum jerum…�


Gepost door: krisvansteenbrugge op 12-11-2006 om 20:06
11-11-2006 - De geschiedenis van Dwars door Grijsloke.

Vorig jaar, aan de vooravond van de 25e editie, achtte ik mij, als stichter van Vlaanderens populairste stratenloop, geroepen om een woordje te schrijven over de geschiedenis en het ontstaa van Dwars door Grijsloke. Dat zag er toen uit als volgt:

De kiem werd gelegd tijdens de grote vakantie van het jaar 1978. Met mijn vriend Robert Forêt kwam ik op het idee een loopkoersje te houden, met start en aankomst aan mijn geboortehuis in de Broekstraat te Elsegem: via Kaster, afstand 3 km, negen deelnemers (zijnde Robert en ik, plus zeven kinderen). Een waar succes. Maar een jaar later was het aantal deelnemers geslonken tot vijf. In 1980 evenwel trokken we met onze loopkoers naar Grijsloke, waar Robert woonde. Dát was de allereerste, in feite "voorhistorische", Dwars door Grijsloke, dewelke van mij het rangnummer "nul" krijgt. Het succes was enorm:éénentwintig deelnemers!

Van toen af kwam alles in een stroomversnelling. Er werd een heus organisatiecomité gevormd: dat eerste "bestuur" bestond uit Hubert Algoet, Tom Ampe, Jean-Pierre Clement, Albert Debeurme, Gaston Depoorter, Robert Forêt, Lucien Van Lancker, Jules Waelkens en ondergetekende. De eerste "échte" Dwars door Grijsloke kende niet minder dan zeshonderd deelnemers!
Dat aantal groeide gestadig tot in 1990: toen waren er meer dan tweeduizend inschrijvingen! In de jaren die volgden daalde het aantal deelnemers, doch tot op heden is het steeds boven de duizend gebleven… Gedurende de eerste tien jaar was Lucien Van Lancker de motor van de organisatie. Sindsdien is de leiding stevig in handen van Claudine Dejonghe-Spileers.

Reeds in 1982 kwam ik op het idee van een loopclub. Ik vroeg Tom Ampe, kinesist én licentiaat lichamelijke opvoeding, om de wekelijkse training te leiden doch hij gaf er al spoedig de brui aan en werd vervangen door Gilbert Terras, zelf een gewezen marathonloper uit de legendarische Anzegemse school van de jaren '50 en '60. Gilbert heeft zich tot op heden op onnavolgbare wijze van zijn taak gekweten. Hij zorgde meteen ook voor een clubblaadje voor "Loopclub Grijsloke".

Velen uit Anzegem en (verre) omstreken houden aan Dwars door Grijsloke en de Loopclub herinneringen over die tot de mooiste uit hun leven behoren. Ik noem er enkele op, voor de vuist weg: de medailles (o.a. uit de reeks "de Levensloop" en uit de reeks "Grijslokes Olympiade"), de zilveren kettinkjes, de busreizen naar de Nürburgringloop, naar de course des Terrils, naar Hastings, Eupen en Capelle aan de IJssel, naar de marathons van Rotterdam, Londen, Honolulu, Parijs, Chicago, Kaapstad, Moskou, Wageningen, Apeldoorn, e.a., de onvergetelijke veertiendaagse reis naar Griekenland, de jaarlijkse week-end uitstappen naar Viroinval, De Haan en Nieuwpoort, met de schitterende play-back shows, de drie marathons die ooit gelopen werden op onze uitzonderlijk zware omloop, de grote vedetten die wij aan de start van de verscheidene Dwars door Grijsloke's mochten verwelkomen (ze behoorden tot de allergrootsten van de wereldatletiek), de komst van de Duitse dr. van Aaken (de paus van de joggingsport, die maar één voordracht in ons land heeft gehouden, nl. in het gemeentehuis van Anzegem, speciaal voor "Grijsloke"!), de vele oriëntatietochten, filoporitesten en Halloween-tochten, de Sinterklaasfeestjes en de Nieuwjaarsrecepties, de jaarlijkse wafelbak en de bedankingsfeestjes voor de medewerkers, de samenwerking met de Stichting tegen Kanker, de ballonvaarten, de wekelijkse trainingen en de filosofische babbels achteraf in de kantine van de club, de kinderlopen waar ons eigen junior-team telkenjare de hoofdvogels afschiet, de keiharde 7 en 20 km wedstrijden, later veranderd tot 7 km en halve marathon en de laatste twee jaar tot 7 km en 10 mijl, de buitenlandse deelname van vooral Nederlanders en de Engelsen uit Hastings en omstreken, de verbroederingsfeesten die wij telkenjare met de Engelsen houden, de verbroederingsloop van Grijsloke naar Hastings en terug, de persconferenties die soms zeer groots werden opgevat, de feesten waarbij beroemde oude gloriën te gast waren (John Doms, Marcel Vandewattijne, Marc Smet, Frans Herman, Aureel Vandendriessche, Roger Deweer, e.a).

Verdriet is er ook geweest. Schrijnend was het plots heengaan van ons aller vriend Patrick Vanhouttegem, jonge man nog, in de kracht van zijn leven. Een vijftal oud-bestuursleden hebben ons definitief verlaten, alsook legendarische figuren als daar zijn Henri Bastien en Bill Bailey. Recentelijk nog hebben we getreurd om Werner Lapeau en Maurice Adams. Maar… zó is het leven!
Zelf heb ik in het bestuur gezeteld tot en met de 23e editie. Nu ben ik nog slechts een enthousiast lid van de Loopclub en een vurige supporter van Dwars door Grijsloke. Laat ik nog vermelden dat er vier boeken van mijn hand verschenen zijn over onze loopkoers, nl. in 1982, 1984, 1997 en 2000. Er bestaan nog enkele honderden exemplaren van. Ik stel ze gratis ter beschikking van eenieder die dit jaar lid wordt van Loopclub Grijsloke. Op simpele aanvraag te bekomen bij mij:
Kris Vansteenbrugge, Sint-Denijsestraat 191B, 8500 Kortrijk;
tel. 056-215944; e-mail: kris.vansteenbrugge@skynet.be; www.bloggen.be/kris.

Op 12 februari 2006 incasseerde Dwars door Grijsloke de zwaarste klap uit haar bestaan, een klap die naar vele insiders vermoedden niet meer zou te boven gekomen worden. Die dag overleed plots en onverwacht Roger Dejonghe. Hij was de echtgenoot van Claudine (Mevrouw Dejonghe). Hij was degene die in Grijsloke werkelijk de touwtjes in handen had. Hij was de grote man achter de schermen. Roger was de grootste VIB die ik gekend heb: Vriendelijk, Intelligent en Bescheiden. Dat er geen vriendelijker en gastvrijer mens bestond dan Roger weet eenieder die ooit bij hem thuis is geweest. Ik kende hem al van in de lagere school: een superbegaafde leerling, een primus perpetuus. Zijn bescheidenheid was spreekwoordelijk: onder geen beding wenste hij zijn naam vermeld te zien in verband met Dwars door Grijsloke, hij bleef immer op de achtergrond werken, zonder ooit zijn woning te verlaten, dag in dag uit, iedere dag van het jaar, werken voor Dwars door Grijsloke. Nu hij er niet meer is kan hij het mij niet meer kwalijk nemen dat ik dit over hem schrijf… Hij is gestorven aan zijn schrijftafel met de pen in de hand, terwijl hij uitnodigingen aan het schrijven was voor een bedankingsfeestje voor alle medewerkers van Dwars door Grijsloke.

Na het verlies van haar dierbare echtgenoot en na Dwars door Grijsloke gedurende vijftien jaar op een perfecte manier geleid te hebben, begon voor Claudine het voorzitterschap zwaar te wegen. Velen vreesden dat dit het einde zou betekenen voor Dwars door Grijsloke. Wie zou immers ooit in staat zijn om de taak van het duo Roger en Claudine over te nemen? En wat blijkt? Wéér zijn de goden ons genadig. Niet minder dan vijf nieuwe talentrijke kandidaat-bestuursleden stonden klaar om de “oude garde� te vervoegen. Die oude garde bestond uit nog amper drie man: Hubert Algoet, die al 25 jaar zorgt voor de geluidsinstallatie en de videoreportages (de enige die er in 1981 al bij was), trainer Gilbert Terras en “manusje-van-alles� Paul Vandenberghe. Eén van de vijf nieuwe bestuursleden is Gerrit Glabeke. Hij is nu de nieuwe voorzitter, een man die over de capaciteiten beschikt om Dwars door Grijsloke ook in dit nieuwe tijdperk – het computer-tijdperk! – op hoog niveau te houden. Hij is de man die na Lucien Van Lancker (1981-1990) en na Roger & Claudine Dejonghe (1991-2005) ongetwijfeld de legende van Dwars door Grijsloke zal ingaan. Net zoals in 1981 bestaat het bestuur van Dwars door Grijsloke op heden, 25 jaar later, uit negen man: Gerrit Glabeke, Marc Calant, Mieke Vanwijnsberghe, Patrick Debruyne, Paul Van Elstraete, Hubert Algoet, Gilbert Terras, Paul Vandenberghe en last but not least (het weze dan in een erepost) onze “engelbewaarder� Claudine Dejonghe-Spileers, onze ere-voorzitster, die niet te beroerd is om in het clublokaal de pintjes klaar te zetten voor de moegetrainde lopers van Loopclub Grijsloke, iedere zondagmorgen vanaf 9.00 uur.

Dwars door Grijsloke staat dus weer vast op de rails! Voor nog eens 25 jaar? Of nog veel langer?

Daar lijkt het alvast op: de 26e editie is weer een groot succes geweest. Komend jaar wordt het dus: zaterdag 25 augustus 2007.

(morgen nóg meer...)

Kris


Gepost door: krisvansteenbrugge op 11-11-2006 om 10:11
10-11-2006 - Over Vlaanderens mooiste stratenloop.

Dwars door Grijsloke
Vlaanderens mooiste massaloop voor iedereen
Iedere laatste zaterdag van augustus te Anzegem

10 Mijl - 7 kilometer
jongeren : 500 m. - 1000 m. - 1500 m.

Grijsloke, volkse benaming voor Gijzelbrechtegem, wordt jaarlijks letterlijk onder de voet gelopen door honderen enthousiaste hard- en recreatielopers. Samen met hun zeer talrijke schare supporters komen ze in deze deelgemeente van Anzegem proeven van de gezellige sfeer.

De landelijke en unieke, weliswaar tamelijk heuvelachtige omloop langs bos en weide, het prachtige panorama aan de voet van de vlaamse ardennen en zeker de vette prijzenpot zorgen ongetwijfeld voor de jaarlijkse internationale interesse en het sedert 1981 onafgebroken succes.

Elke loper met het hart op de juiste plaats stond op zaterdag 26 augustus 2006 weer aan de vertreklijn als het startschot gegeven werd voor één van de vijf loopwedstrijden voor jong en oud : 10 mijl, 7 kilometer, 1500 meter, 1000 meter en 500 meter.

De uitslagen van de koers van zaterdag 26 augustus zijn nu online beschikbaar. Zoeken op www.grijsloke.be a.u.b.

Morgen meer...


Gepost door: op 10-11-2006 om 22:33
10-11-2006 - Gedicht voor een patiënte.

Ze weent als het niet hoeft
en ze verslikt zich om de haverklap.
Ze heeft Alzheimer of Parkinson,
of weet-ik-hoe-dat-heet.

Hoe zou Marie Van Hout geweest zijn
in haar jonge jaren?
Misschien heel knap en sexy,
misschien ook niet...
Misschien maar heel gewoontjes
en een beetje aan de bedeesde kant.

Maar eens is er een man geweest
die háár de mooiste vond.
En nu is er die therapeut
die haar weer slikken leert...

Gepost door: krisvansteenbrugge op 10-11-2006 om 11:38
09-11-2006 - O JERUM JERUM JERUM...:een bestseller in Vlaanderen!

Begin juni schreef de uitgever:
Met gepaste trots melden wij u dat medio juni de eerste exemplaren van o jerum jerum jerum…, geschreven door Kris Vansteenbrugge, van de drukpersen rollen.
O jerum jerum jerum is een zuiver autobiografisch werk. Kris beschrijft de gelukkige na-oorlogse kindertijd en de ellendige kostschooljaren, waarna de glorierijke studententijd in het geliefde Gent aanbrak, de gelukkigste periode in Kris’ bestaan. Het verdere leven als keel-neus-oorarts dat erop volgde was enkel maar ‘om den brode’, en in dit boek kijkt Kris vol heimwee terug op het bruisende, baldadige studentenleven met al zijn emoties en zijn romantiek. In zijn verhaal over die mooie jaren die nimmer meer terugkeren legt Kris zijn diepste zieleroerselen bloot op een ontwapenende en humoristische wijze, vaak echter met een cynische en pessimistische ondertoon, niemand ontziend, ook zichzelf niet.

Kris Vansteenbrugge:
Geboren in Anzegem, getogen in Elsegem, heb ik mij, na een verblijf van vier jaar in Rotterdam, gevestigd in Kortrijk, als keel-neus-oorarts. Ik werd marathonloper, stichtte de stratenloop ‘Dwars door Grijsloke’, en publiceerde daarover vier boeken. Met het naderen van de pensioenleeftijd kwam het heimwee naar de roemrijke studentenjaren in Gent, met dít boek als resultaat. Ook drie toneelstukken en een gedichtenbundel zijn van mijn hand. Een literaire carrière ligt nog in het verschiet…

Uitgeverij Free Musketeers, Woerden, Nederland.

Dit boek is te bestellen via www.freemusketeers.nl (17,95 € + verzendkosten).
In Vlaanderen is het ook te bestellen door storten van 17,95 € op rek. nr. 000-0542957-48 van Kris Vansteenbrugge, 8500 Kortrijk, met vermelding "boek".


Gepost door: krisvansteenbrugge op 09-11-2006 om 10:04

Statistieken
Hits vandaag: 1
Hits totaal: 19323
Aantal logs: 13
Aantal reacties: 3

Mail beheerder


PHP Parsetijd: 0.042 sec, MySQL 27 queries in 0.028 secs